top of page

De Tiende Dochter

‘Het is helaas een meisje,’
sprak de vroedvrouw tot de edelman,
en hij verbeet zijn pijn.

Hij had al negen dochters,
nu kregen ze dit tiende kind,
dan moest het toch een jongen zijn?

De laat geboren baby kreeg hij in zijn armen
en hij keek naar haar. Ze huilde
en hij voelde zich bestolen, maar door wie?


Zijn vrouw lag doodmoe op het bed,
haar natte haren tegen haar gezicht,
tranen in haar dichtgeknepen ogen.


Woede gistte in de edelman:
‘De duivel heeft je buik geroerd,
een duivelsdochter heb je mij gebaard!’

 

De moeder huilde: ‘’t Is niet waar!

Ik ben jouw vrouw
en jij alleen hebt mij bezeten!’


Maar zij voelde zich vervloekt
en zelfs de ratten verspreidden het gerucht:
een duivelsdochter, een duivelsdochter.

 

De negen oudere zussen zeiden:
‘Wij zijn meisjes en dat kan, maar zij?
Zou de duivel echt haar vader zijn?’


Elke morgen nam haar droeve moeder
de tiende dochter mee naar de kapel,
de vogels vlogen op als ze hen zagen,


en voor het goudbeslagen altaar
– zelfs de kapelaan moest dan de kerk verlaten –
knielden moeder en dochter samen,


hand in hand, en haar moeder sloot haar ogen:
in vreemde prevelingen klonken haar gebeden.
Dan keek het meisje stiekem om zich heen

 

en zag hoe gebrandschilderde martelaren
in spits gebogen ramen
hun rode wonden lieten stralen.


---

In de donkere hoge zaal van hun kasteel,
hingen tussen de flakkerfakkels
schilderijen van vaders van vaders van vaders


en daar ontving de edelman zijn gasten,
die van verre kwamen om met hem te praten:
waar vloeit het bloed

 

en welke schalk verovert macht?
in welke steden heerst de pest
en is de oogst dit jaar mislukt?


Negen dochters zaten daar dan bij.
Soms zeiden ze een rijmpje uit hun hoofd,
soms zongen ze een lied.


De gasten dronken en lachten,
maakten woeste gebaren,
sloegen elkaar op de knieën,


en de negen dochters mochten op schoot,
ook al werden ze al groot,
maar de tiende niet.


De tiende dochter speelde
onder de stoel van haar moeder,
zo stil als ze kon, en dan moest het nog stiller.


Maar het meisje groeide en ze paste
niet langer onder de stoel, ze moest aan tafel,
maar ze kreeg een kleiner een bord.


Woorden en ideeën klaterden over tafel
en negen zussen keken met grote ogen
wie van de mannen hun vader kon behagen,

maar de tiende dochter kreeg oude jurken van haar zussen
en ze voelde zich mislukte oogst;
een dochter die alleen maar wordt gedoogd.


Niemand, niemand, niemand telde tot de tiende dochter.
Aan tafel kreeg ze nooit het woord,
nooit mocht ze zingen bij het vuur


alsof die mannen aan elkaar
hun vrome aard bewezen:
nooit zouden zij de duivelsdochter vrezen.

Op een ochtend werd ze dertien jaar
en op haar knieën voor het altaar,
in de kleuren van de martelaren,


zag ze hoe haar moeder was geknakt,
en ze dacht: ‘Als God me niet wil helpen,
vraag ik het de duivel.’


De volgende morgen ging ze niet naar de kapel.
‘Moeder vaarwel, ik ga op reis.
Ik durf je niet te zeggen wie ik zoek.’


‘Mijn dochter, je weet toch van je vloek?
Wil je werkelijk naar de hel?
Maar als je nu mijn hand loslaat,


neem deze drie kristallen glazen mee.’
En drie kristallen glazen gaf ze aan haar dochter,
drie kristallen glazen in een zachte doek.


Zo ging de tiende dochter weg,
haar haren in een vlecht, weg
van het volle kasteel en de lege kapel.


Ze liep door rumoerige steden,
langs dorpen aan glinsterende beekjes,
voorbij kluizenaars in diepe ravijnen


en toen ze nergens de hel kon vinden,
vroeg ze in een herberg een gewonde soldaat,
net uit een slag: ‘Waar vind ik de duivel?’


En droevig keek hij op en hij riep uit:
‘Ik wou dat je mij iets anders vroeg,
maar als je echt de duivel zoekt…’


– en hij keek, door zijn tranen heen,
de tiende dochter in haar ogen –
‘… drink dan een glas met mij.’


Ze opende haar zachte doek
en gaf hem een kristallen glas,
gaf zichzelf een glas,


en zette ook het derde glas op tafel.
De waard schonk de glazen vol met wijn
en aan het derde glas, als een derde gast,


verscheen de duivel, groot en rood,
zijn hoorns kringelden als rook:
‘Mijn kind, wat is je wens?’


‘Duivel, duivel, doe ze duizelen,

Duivel, duivel, doe ze huiveren,
laat ze allemaal naar me luisteren.’


De duivel sprak tot haar:
‘Weet je waar je mij om smeekt?
Je maakt het nooit meer ongedaan.’


Maar ze wilde het echt en de duivel zei:

‘Voortaan kleeft dit gouddraad aan je vingers
en wie het ziet komt achter je aan.’


Ze dankte de duivel en betaalde de waard;
ze wilde aan de lange reis naar huis beginnen,
terug naar haar vader, moeder en zussen,


maar de gewonde soldaat zag haar vingers
en zijn blik bleef aan haar gouddraad kleven;
hij strompelde achter haar aan

De pest brak uit en steeds meer zieken
liepen en stierven langs de velden en wegen,
verstoten uit de volle steden.


‘Help me toch,’ zei een van hen,
‘ik heb zo’n pijn, ik heb zo’n dorst.’
Het meisje gaf de zieke iets te drinken


en hij zag het gouddraad aan haar vingers
en het was of hij bleef kleven;
Achter haar aan liepen de soldaat en de zieke.


Honger teisterde het land en bedelaars
lagen op de trappen van kerken
en smeekten de tiende dochter om hulp.


Ze deelde haar brood met zieken, soldaten, bedelaars
en ze zagen het gouddraad als het koren;
ze liepen vol verlangen achter haar aan.

Rovers zagen het goud tussen haar vingers
en wilden haar beroven toen ze sliep.
In de diepe nacht slopen ze op haar toe

 

en trokken aan de draden tussen haar vingers,
maar ze bleven eraan kleven
en de rovers raakten in paniek,


ze trokken en draaiden, raakten verstrikt
en wikkelden de draden om zich heen;
ze trokken hun scherpe messen

 

maar die messen raakten in de draad verstrikt
en ze leken te stikken in de stralen van de zon,
tot de duivel ze kwam halen.


---


Zo volgden steeds meer mensen de tiende dochter.
Ze liepen langs een hoge kerk
en de pastoor stond voor de zware poort


en hij had al jaren niet gelachen,
maar zijn handen lagen op zijn buik
en nu lachte de oude pastoor:


‘Lieve mensen, kom tot inkeer,
jullie moeten nu naar huis!
Volg de koning of de Heer!’


De tiende dochter dacht:
‘Duivel, duivel, doe hem huiveren,
laat hem naar me luisteren.’


Ze spreidde haar vingers
en het gouddraad spande als een web
en vloekend liep de pastoor achter haar aan.


---


Na jaren bereikte de tiende dochter het kasteel
en zelfs de hoge torens huiverden
en wilden met hun vlaggen naar haar luisteren.


Haar vader en moeder kwamen naar buiten
en vielen op hun knieën, ze huilden,
ze smeekten: ‘Blijf buiten, blijf buiten!’


Maar ze liep door de poort, met achter haar
zieken, soldaten, bedelaars en de pastoor,
ja, zelfs de ratten renden over de binnenplaats mee

 

en ze liep naar de grote donkere zaal,
de gasten zaten aan de lange tafel
met volle glazen en mooie borden.

 

En ja, de duivel deed de gasten huiveren.

Ze wilden naar de tiende dochter luisteren.
Ze hielden allemaal hun adem in.


---
Ze sprak een eerste zin, en nog een zin,
en nog een zin, maar ze zag opeens
het gouddraad tussen haar eigen vingers

 

en volgde de woede in haar hart.

Ze smeet alle wijn en water over tafel,
ze liet het regenen en bloeden


en zelfs de duivel leek te schrikken.
Het gouddraad smolt in haar natte handen
alsof de vloek toen was verbroken.


De ratten verlieten snel de zaal,
daarna vertrokken ook de gasten,
soldaten, zieken, bedelaars, pastoor,


haar vader en moeder en haar zussen,
ja zelfs de vaders van vaders van vaders
stapten uit hun lijst en liepen weg,


De tiende dochter bleef alleen.
De zaal zo groot, de tafel nat,
de duivel nergens te bekennen.

bottom of page